Datum laatste herziening: 23-07-09
Veelgebruikte Hb-grenswaarden voor profylactische transfusie bij chronische anemie
Indicaties voor trombocytentransfusie
Evaluatie trombocytentransfusies
1. Immuun gecompromitteerde patiënten
2. Immuun gecompromitteerde én niet immuun gecompromitteerde patiënten
Voor algemene informatie over bloedcomponenten wordt verwezen naar de Richtlijn Bloedtransfusie van het CBO verschenen in 2004 en de Transfusiegids 2005. Sinds januari 2002 zijn alle cellulaire bloedproducten gefiltreerd en bevatten < 106 leukocyten. Deze producten verminderen de kans op HLA alloimmunisatie en hebben hetzelfde lage risico op overdracht van CMV als bloed afkomstig van CMV-seronegatieve donoren.
Patiënten met transfusie-anamnese en/of zwangerschappen hebben een hogere kans op allo-immunisatie: vóór de pancytopenie HLA antistoffen bepalen en HLA typering verrichten.
Patiënten, die langdurig erytrocytentransfusies zullen krijgen (MDS, APA en congenitale hemolytische anemieën) moeten vóór de 1e transfusie uitgebreid voor erytrocyten antigenen getypeerd en bij voorkeur getransfundeerd met c, E,Kell gematchte erytrocytentransfusies. cEK compatibele erytrocyten zijn eveneens geadviseerd voor alle vrouwen die nog zwanger kunnen (willen) worden.
Erytrocytentransfusies bij acute bloedingen dienen volgens de 4-5-6 regel toegediend worden (zie Transfusiegids 2005). Bij een patiënt met chronische anemie zonder andere behandelopties dient men bij symptomen van anoxie altijd te transfunderen. De absolute transfusie-indicatie is Hb < 3 mmol/l. Ook mag de leeftijd bij de indicatie worden betrokken; hiertoe kan men eenvoudige leeftijdsparameters (zie hieronder) hanteren. Bij patiënten met chronische anemie dient ook de kwaliteit van leven betrokken bij de transfusie-indicatie, zeker indien transplantatie geen therapeutische optie zal zijn.
| leeftijd (in jaren) | Hb-grenswaarden (in mmol/l) |
|---|---|
| < 25 | 3.5 - 4.5 |
| 25 - 50 | 4 - 5.0 |
| 50 - 70 | 5.5 |
| > 70 | 6.0 |
Op de afdeling Hematologie van het LUMC worden de volgende grenswaarden gebruikt:
| leeftijd (in jaren) | Hb-grenswaarden (in mmol/l) |
|---|---|
| < 60 | 5 |
| >= 60 | 5.5 |
Als er sprake is van chronische afbraak van erytrocyten zoals in het geval van hemolytische anemieën dan kunnen er redenen aanwezig zijn om af te wijken van bovenstaande ondergrenswaarden. Het betreft de volgende aandoeningen: sikkelcelziekte, homozygote Beta-thalassemie en auto-immuunhemolytische anemie. Zie hiervoor de Transfusiegids.
Standaard dosering voor volwassenen is circa 5 x 109/kg oftewel ± 3 - 4 x 1011 trombocyten (4 - 5 donoren).
Bij kandidaten vóór allogene stamceltransplantatie zeer terughoudend zijn met trombocytentransfusies van familiedonoren.
Denk aan indicaties voor bestraalde bloedproducten (zie beneden).
Trombocytenaantal < 10 x 109/l
Bij de volgende invasieve ingrepen zijn geen bijzondere maatregelen noodzakelijk (volstaan kan worden met lokale tamponade):
Gestreefd wordt naar een trombocytenaantal boven de 40 x 109/l:
NB: In het LUMC wordt voor het verwijderen van een centraal veneuze catheter en het inbrengen van een blaascatheter bij mannen een trombocytenaantal van boven de 30 x 109/l geaccepteerd.
Gestreefd wordt naar een trombocytengetal boven de 60 x 109/l bij:
Gestreefd wordt naar een trombocytengetal boven de 100 x 109/l bij:
Beleid bij ATG toediening:
Nooit profylactische trombocytentransfusies. Eerst conventionele maatregelen:
Patiënten met M. Glanzmann hebben hoog immunisatie risico voor HLA en HPA-1 antistoffen. Deze patiënten bij elektieve transfusie zo mogelijk HLA-gematchte trombocytentransfusies toedienen, tot HPA antistoffen ontstaan.
Het effect van trombocytentransfusies dient in principe te worden gedocumenteerd. Bij patiënten zonder hemorrhagische diathese kan volstaan worden met de nawaarde de volgende dag (± 20 uur). Indien deze < 10 - 20% van de verwachte opbrengst bedraagt, dient een 1 uurs opbrengst te worden gemeten (10 - 75 minuten na infusie). Bij toepassing van HLA (HPA)-gematchte trombocytentransfusies wordt altijd een 1-uurs nawaarde bepaald. Deze post-transfusie-opbrengsten worden gebruikt voor selectie van de volgende donor.
CCI (corrected count increment):

De CCI dient > 7.5 te zijn na 1 uur en > 2.5 na 24 uur. Als bij twee achtereenvolgende transfusies de 1 uurs CCI < 7.5 is, wordt patiënt refractair voor trombocytentransfusie genoemd. Als er klinische factoren zijn die beperkte opbrengst kunnen verklaren (infecties, medicamenten, DIS, GvHD, splenomegalie) dient de dosis van toegediende trombocyten verhoogd te worden. In afwezigheid van deze factoren dient screening naar allo-antistoffen ingezet te worden (in eerste instantie HLA antistoffen, in tweede instantie in overleg met de bloedbank arts HPA antistoffen).
Als vuistregel (die niet altijd opgaat) geldt dat een goede 1-uur en slechte 20-uur opbrengst meestal niet het gevolg is van allo-antistoffen maar van klinische factoren die trombocyten-consumptie verhogen.
Indien Rh-D positieve trombocyten worden gegeven aan een Rh-D negatieve vrouw met zwangerschapsmogelijkheid: 75 µg anti-D immuunglobuline subcutaan binnen 48 uur na transfusie. Anti-D is niet nodig voor Rh-D negatieve patiënten die op korte termijn een Rh-D pos. transplantaat ontvangen.
Ernstige granulopenie (neutro's < 0.5 x 109/l) met progressieve infectie veroorzaakt door bacterie, gist of schimmel, waarbij een respons op adequate antibacteriele of antifungale therapie ontbreekt en er uitzicht op beenmergherstel moet zijn binnen 3 weken.
Er behoren tenminste 3 geschikte familie donoren te zijn. Bij voorkeur worden HLA-identieke donoren geselecteerd. Granulocyten worden verkregen middels ferese na mobilisatie met G-CSF of G-CSF (evt gecombineerd met dexametason) gevolgd door HES toediening. Granulocyten worden na bestraling toegediend aan de patiënt.
Belangrijkste indicaties voor bestraling van cellulaire bloedcomponenten met 25 Gy ter voorkoming van graft-versus-host ziekte bij volwassenen.
De overdracht van CMV door bloedtransfusies is < 2% per behandelcyclus (0 - 4/250 patiënten) bij gebruik van leukocyten-verwijderde cellulaire bloedcomponenten. Een vergelijkbare lage CMV infectie incidentie is gevonden bij toepassing van CMV-seronegatieve donoren. CMV negatieve bloedproducten worden alleen nog maar gebruikt bij intra-uteriene transfusies.
VERWANTE PAGINA'S:
- Anemie
- Hemolytische anemie
- Hemoglobinopathie
- Aplastische anemie
- Paroxysmale nocturne hemoglobinurie (PNH)
- Neutropenie en agranulocytose
- Idiopathische trombocytopenische purpura (ITP)
- Trombotische trombocytopenische purpura (TTP)
- Vaginaal bloedverlies bij patiënten met trombocytopenie
- IJzerstapeling en -chelatiebehandeling
- Verkregen hemofagocytair syndroom (macrofagen activatiesyndroom)
- HIV-gerelateerde hematologische afwijkingen
© LUMC | Disclaimer